‘Hebt u weleens aan Gambia gedacht ?’

Najaar 1999
Na een periode van lichamelijk en geestelijk ongemak voor ik weer aan het werk ging – wilden mijn vrouw en ik nog even een zonvakantie boeken bij het reisbureau in de Zijdstraat. We waren al naar verschillende Canarische Eilanden, Turkije en Marokko geweest. We dachten eigenlijk aan een vakantie naar La Palma of Gomera, toen de medewerkster van het reisbureau vroeg: “Hebt u weleens aan Gambia gedacht?

Toen hadden we er nog nooit van gehoord; inmiddels zijn mijn vrouw en ik er, samen of ieder apart, minimaal tien keer geweest. Gambia is het kleinste Afrikaanse land, ligt aan de westkust en is aan alle kanten omringd door Senegal. Er wonen iets meer dan een miljoen mensen. De officiële taal is Engels, maar er zijn minstens 7 stammen, die ieder hun eigen taal spreken. Gambia heeft geen natuurlijke rijkdommen en is voor het grootste gedeelte afhankelijk van de pindateelt, het enige exportproduct. De eerste reis zou bestaan uit één week strandvakantie met een verblijf in een ronde Afrikaanse hut en één week met een stedentrip door Senegal. De tweede week werd er de oorzaak van dat we nu nog steeds met Gambia zijn verbonden. We waren namelijk al onderweg in de bus toen we merkten dat de medepassagiers een natuurreis hadden geboekt langs en over de rivier de Gambia naar een natuurpark in Senegal, Nyoko Lokoba. Na mijn protest en luid ‘stop’-geroep volgde alleen de reactie dat de stedentrip in dit deel van het jaar niet kon doorgaan vanwege het weer.

Plezier eraf
Vanaf dit ogenblik was het plezier van de reis eraf voor mijn vrouw. Zij heeft niets met dieren en bij elk vogeltje dat werd waargenomen, hoorde ze de fotocamera’s klikken. Ze houdt niet van water, dus de vaartocht van uren over de rivier was ook niet aan haar besteed. Nadat we in verschillende lodges hadden gelogeerd, kwamen we in Nyoko Lokoba, waar onder echt Afrikaanse omstandigheden, geen licht, geen goede paden, een van de medepassagiers zijn been brak en het hele gezelschap hals over kop naar het dichtst bijzijnde ziekenhuis moest. Daarvoor moesten we terug naar Gambia, naar Basse, de hoofdstad van Upper River Region, de oostelijkste provincie van Gambia. In het ziekenhuis werd hij behandeld door een Nigeriaanse arts, er zijn nauwelijks Gambiaanse dokters. Ik raakte in gesprek met een aantal verpleegkundigen over arbeidsomstandigheden, cultuur, de stammen enzovoort. Maar nadat het been gezet en gegipst was, moest het gezelschap snel verder. Achteraf bedacht ik dat ik geen namen wist van degenen waarmee ik had gesproken. Ik kreeg echter van de man met het gebroken been het e-mailadres van de Nigeriaanse dokter.

Opnieuw contact zoeken
Weer terug in Nederland zocht ik contact met deze arts, met het verzoek me in verbinding te brengen met de verpleegkundigen. Ik kreeg inderdaad contact met hen, maar het verwaterde. Het contact met de arts is gebleven, hoewel ik hem nooit gezien had. Toen hij na een jaar weer terug ging naar Nigeria, vroeg hij of ik een vriend van hem financieel wilde helpen. Een Nigeriaanse zendeling die een missiepost heeft in Mansajang, vier kilometer van Basse vandaan. Daarmee startte het contact dat ons nog steeds aan Gambia bindt. Na twee jaar hulp op afstand wilden we wel kennis maken met de zendeling die we hielpen en boekten we onze tweede reis naar Gambia. We verbleven weer eerst een week aan de kust, maar nu in een lodge van een Nederlandse vrouw, Barbara Somers. Hierna gingen we met een bushtaxi naar het binnenland, met vijftien personen in een busje voor negen, met een heleboel bagage op het dak, waaronder ook twee geiten, gaten in de bodem bedekt met een tegel of karton, de vering bijeengehouden met touw en uiteindelijk een lege tank. Na een reis van 13 uur over 300 km kwamen we op het ‘busstation’ van Basse. We belden onze vriend en wachtten af wie er van alle zwarte mensen op ons af zou komen, want we hadden zelfs geen foto. Na een kwartier stopte er een jeep en kwam er een jonge man met een sikje op ons af en omarmde ons. Dat was onze eerste kennismaking met Taylor Iwodi.

Helpen na geboorte
Sinds die tijd is mijn vrouw twee keer alleen naar Gambia geweest om Miracle, Taylors vrouw, bij te staan na de geboorte van hun tweede en derde kind. Zij heeft het beide keren heel zwaar gehad, want ze mocht – nauwelijks Engels sprekend en in een omgeving met een totaal andere cultuur en gewoonten en een klimaat dat steeds heter wordt – als oudere blanke vrouw niet veel doen, terwijl ze eigenlijk was gekomen om te werken. In de tussentijd zijn we ook begonnen de missie van Taylor en Miracle financieel te steunen. Het begon met onze financiële steun aan twee Gambiaanse studenten. We hebben geld ingezameld om een vrouwentuin te vergroten en de watervoorziening in de tuin te verbeteren. Een aantal bestelbussen gekocht en verscheept. Goederen zoals kleding, servies, naaimachines en computers verzonden.

School bouwen
Ons laatste project was het bouwen van een school, die sinds begin maart dit jaar ook daadwerkelijk in gebruik is. Deze school is er kunnen komen dankzij steun van onder andere stichting OSA (OntwikkelingsSamenwerking Aalsmeer), stichting Rommelmarkt Kudelstaart, PCI (Parochiële Charitas Instelling) van de parochie Sint Jan Geboorte Kudelstaart en Dorcas Aalsmeer. Ondertussen ben ik ook al drie keer in mijn eentje naar Gambia geweest om les te geven aan de school, een heel bijzondere ervaring. We blijven betrokken bij ‘onze’ school, konden al geld sturen voor nieuw meubilair, schooluniformen en een betere lunch. We zoeken naar een bestelbus die in Gambia omgebouwd kan worden tot schoolbus. Indien gewenst betalen we het salaris van (liefst) Gambiaanse leerkrachten. Een volgende keer naar Gambia? Zeker, maar wanneer?

Stef Holling, oud-leerkracht Jozefschool

Overgenomen uit Nieuw Nat